Accessoires en dieren

Accessoires en dieren

De natuurlijke tendens van het accessoire om een fetisj of amulet te worden, wordt nog versterkt als het voorwerp in kwestie van dierlijke afkomst is.
Het wordt dan geen fetisj, maar een totem.
Totems zijn voorwerpen waarin de geest van de stam huist en ze zijn daarom beladen met taboes, want die geest kan heil én onheil brengen.
Het verband tussen dieren en accessoires is op drie manieren te leggen. Ten eerste zijn er accessoires voor levende dieren.
Ten tweede worden levende dieren als accessoire gehouden.
Ten derde worden dode dieren of delen daarvan als accessoire gebruikt of in accessoires verwerkt.
Deze nogal verschillende categorieën hebben gemeen dat ze alle drie op eigen en soms tegenstrijdige wijze uitdrukking geven aan een aantal in dieren gelokaliseerde of op dieren geprojecteerde waarden en gevoelens.
Twee daarvan zijn hier van belang.

Mensen van nature

Mensen hebben van nature de neiging aan elders te denken, aan vroeger, later, in elk geval niet hier.
Om te overleven, geestelijk en lichamelijk, dient dit wegdrijven in gedachten, dagdromen, verlangens en fantasieën bestreden te worden, en al in de oertijd was de aanwezigheid van dieren in de naaste omgeving een geëigend middel daartoe.
Elk dier is in staat ons een ervaring van ‘onmiddellijke nu-held’ te bezorgen, het directe bewustzijn hier en nu te zijn en nergens anders.
Dit blijkt bijvoorbeeld als er tijdens een boswandeling plotseling vlak voor je een groot wild hert op het pad stapt. M aar hetzelfde effect treedt ook op bij huisdieren: een hond, poes of zelfs de rat van de punks en de kakkerlak van de recentere mode – dieren die we vlak bij ons lichaam toelaten – openen onze geest naar de nu-heid en de wereld waarin echte dingen gebeuren.
De wereld, anders gezegd, waarin niet alles vaagheid en toeval is, maar noodlot, dreiging en geluk.
Genieten kun je alleen in het heden, net als doodsbang zijn.
Alles wat leuk is, is lichamelijk.

Een tweede vermogen van dieren staat bekend als de metamorfose.
Primitieve stammen – dat wil zeggen groepen mensen zonder externe media zoals schrift, telefoon, fotografie et cetera – vertellen telkens weer dat ze in staat zijn in hun lichaam te voelen of er een dier in de omgeving rondloopt.
Als er bijvoorbeeld een springbok door hoog gras loopt, ervaren zij dat als gekriebel aan hun kuiten.
De jager springt op en begint om zich heen te spieden waar het dier precies is.
Wij kunnen niet verbaal communiceren met onze dieren, maar aanvoelen kunnen we ze heel goed – en zij ons.
Bij de stammen waren het de sjamanen die zich in het totemdier van de groep konden veranderen en dan met de oermoeder van de bizons of ander bejaagbaar grofwild paarden opdat zij de kuddes zou baren die in het voorjaar de vlakten weer zouden bevolken.

Betekenis van schilderingen of maskers

Grotschilderingen van dieren staan op plekken waar dit paringsritueel plaatsvond.
Dierenmaskers maken deel uit van deze zelfde metamorfose.
De gedaanteverandering in een dier voerde de sjamaan uit de beschaving, terug in de natuur, met het doel via die natuur (de jachtdieren) de beschaving in stand te houden.
Om een cultuur levend te houden moet je die af en toe verlaten, anders doof je zelf uit en verwordt je cultuur tot een verzameling onverschillige, holle vormen.
Laat ik een voorbeeld uitwerken: de hond. Bij ontelbaar veel stammen van over de hele wereld wordt verhaald dat de oerouders een mens en een hond waren.
Nu hoort de hond biologisch gesproken tot dezelfde soort als de wolf (Canis lupus).
De haat van de mens tegen de wolf is al vanaf oertijden enorm groot, juist omdat de wolf een hond is, maar dan wild, buiten de beschaving, terwijl de hond een wolf is die naar de kant van de mens is overgelopen (iets dergelijks geldt voor de poes en de leeuw).
In de Oudnoorse Edda staat een permanente oorlog beschreven tussen een stam die de hond vereert en een stam met een wolf als totem.

De weerwolf

De weerwolf is een mens die onder invloed van de maan het beschavingsproces in omgekeerde volgorde doorloopt en weer de wolf wordt die de stamouder ooit was.
Het verhaal van Romulus en Remus die als baby’tjes drinken van de wolf en vervolgens een beschaving stichten, hoort thuis in ditzelfde mythische domein.
De totemistische waarde van de hond is nooit helemaal uit ons bewustzijn verdwenen, hoezeer er ook met de hond is gefokt om hem voor heel andere menselijke waarden in te zetten: jachthonden, schoothondjes, vechthonden, knuffelhondjes, straathonden.
Elke hond blijft in staat zijn of haar baasje op te eten, mocht deze dood gaan en het voer opraken.
Telkens weer bijten honden baby’s of kindjes op straat of in het bos (‘Dat doet-ie anders nooit’).
Dat honden in de mode schattig worden aangekleed, ja tot kitsch en camp worden verheven, maakt het dier in de hond niet minder een dier.
Als dier blijven ze haren verliezen, winden laten, je gezicht likken, blaffen en op het uitgestoken been van de visite rijden (met alle nu-heid van dien).
Anderzijds lijken alle baasjes op hun hond, vaak zelfs uiterlijk (metamorfose).
Hoe sentimenteel er ook vaak over honden wordt gedaan, zonder hond in huis zou menigeen allang geestelijk zijn verpapt.

Dieren

Een dier is nooit neutraal materiaal.
Zelfs nauwelijks als zodanig herkenbare dierlijke resten zoals het leer van een motorjack of de klassieke kattendarmen op de viool roepen een sfeer op die de voorwerpen in kwestie buiten de alledaagse normaliteit plaatst.
Ofwel omdat ze een associatie oproepen met geweld, ofwel, in het geval van de kattendarmen, omdat ze juist verbonden worden met hoger sferen zodra ze tot klinken komen.
Daarbij komt dat de niet-praktische waarde van een accessoire – wat gewoonlijk de schoonheid ervan wordt genoemd – altijd belangrijker is dan het nut van het ding, zeker als het een modieus accessoire is.
Een tas van krokodillenleer is in de eerste plaats van krokodillenhuid gemaakt en daarna een voorwerp waar je spulletjes in kunt stoppen om bij je te dragen.
De motieven en de textuur van krokodillenleer zijn mooi, spectaculair zelfs, maar tegelijk maakt het besef dat het leer afkomstig is van een levend dier dat ooit dodelijk woest was, het object tot meer dan alleen maar mooi.
Het krijgt een totemistische waarde en het ruige leer wordt een ‘tegenhuid’ bij de tere dameshuid waarnaast het zich bevindt.
Iedereen weet dat de krokodillenhuid zo mooi is omdat de oorspronkelijke drager ervan bij leven schattige antilopes en leuke watervogels met huid en haar heeft verslonden.
Het leer is daardoor een symbool van vergelijkbare, verborgen krachten van de draagster en niet een jachttrofee, maar eerder een waarschuwing aan degene die op jact zou willen naar degene die zich tooit met deze dierenhuid: nader mij niet naïef of ontschuldig, ik sla keihard terug, als ik niet al aanval.
Mijn tanden zijn scherp, wees alert.